vrijdag 16 april 2010

Onder de grachten...

Hijgend en puffend kwam ik aan op een utopische plek die alleen door mij gewaardeerd kon worden. Althans, zo voelde het. Ik rekte me nog eens uit en trok de veters van mijn sportschoenen uit. De hete zonnestralen konden mijn bezwete gezicht niet bereiken door de groene bladeren van de bomen. Ik ging zitten en trok ook mijn sokken uit.
Al jaren kwam ik daar: de plek waar ik me beter voelde dan waar dan ook. Het was een locatie die alleen ik kende en dat bleef als het aan mij lag ook zo. Isolerend van de buitenwereld met alleen het geluid van stromend water en het kraken van takken door een briesje. Urenlang kon ik daar zitten zonder enige vormen van contact met de buitenwereld.
Ik zette mijn Ipod aan en zette het nummer Upside down op van Jack Johnson. Na een vredige zucht, ging ik op mijn rug liggen en legde mijn handen achter mijn hoofd. Mijn gedachte dwaalde van het mooie landschap af naar een flashback.

Het kraakte en ik hoopte stilletjes dat mijn zusje niet wakker werd van het geluid. Ik zette voorzichtig één voet op de kiezels en het maakte een oorverdovend geluid. Ik negeerde het en liep vastbesloten verder. Glurend over de rand keek ik naar de afstand tot de grond. Het was zeker meer dan twee meter. Wat kon het mij ook schelen, dacht ik. Ik liet mezelf even hangen en probeerde grip te krijgen met mijn voeten. Op dat moment ging mijn telefoon hard af. Ik maakte een laatste sprongetje tot de grond en drukte snel mijn telefoon uit.
Aan de grond zette ik op het lopen. Mijn voetstappen maakten doffe geluiden op de stille straattegels. Ik zag een vage schim in de verte. Het kwam steeds dichter op mij af.



Twijfelend en voorzichtig liep hij achter mij aan. Ik pakte zijn hand en zei dat het niet meer zo ver was. ‘Kijk uit voor die tak’, zei ik zachtjes tegen hem. Zijn hand voelde warm aan, maar zijn wijsvinger ijskoud. Ik voelde het vochtige gras bij iedere stap die ik zette. Ik dacht bij mezelf dat ik echt dichte schoenen aan had moeten doen.
De lentedauw was overal te voelen. Ik keek eventjes naar achteren en hij glimlachte naar mij. Ik kneep iets harder in zijn hand en rook zijn frisse geur. We kwamen daar aan en ik zag dat het niet direct bereikbaar was. ‘Wacht even, ik til je even op’, zei hij.
Hij tilde mij op en zette mij op het natte hout. ‘Ga je springen?’, Vroeg ik hem.
Hij gaf geen antwoord en maakte en sprongetje. In één beweging stond hij naast me. Het was erg stil om ons heen. Alleen het geluid van de muggen was hoorbaar en ergens in de verte was een eend te horen. Ik sloot mijn ogen en..





‘Meisje, meisje..’ Ergens in de verte hoorde ik een jonge meisjesstem. Ik opende mijn ogen en keek naar verward naar achteren. Ze was ongeveer zeven jaar oud en droeg een schattig bloemetjesjurk. Haar blonde haren waren opgestoken en er waaide een paar verwarrende plukken voor haar gezicht. Ik deed mijn oortjes uit en keek haar vriendelijk aan. ‘Mogen wij hier picknicken?’, vroeg het meisje verlegen. Achter haar dook haar vriendinnetje op met de fiets in haar handen. Ze hand een mandje voorop met een kleed erop. ‘Ja, natuurlijk’, antwoordde ik. ‘Ik wilde net weggaan. Bedankt dat je mij wakker hebt gemaakt.’ Ik stond op en klopte wat zand af, greep naar mijn schoenen en maakte een sprongetje zodat ik weer op het vaste land stond. De zonnestralen raakten mijn gezicht.




Model: Lyanne Tonk
Fotografie: Poengie



Geen opmerkingen:

Een reactie posten